zondag 29 juli 2007

Betty Davis - Betty Davis / They Say I'm Different

Onlangs verschenen er bij 'Light in the Attic Records' twee prachtig verzorgde reïssues uit de beginjaren zeventig met daarop werk, gemaakt door ene Betty Davis. Betty who, zult u vragen? Precies. Er is zowat geen hond meer die weet wie zij was, en dat mag rustig een schandaal genoemd worden. Want wat deze dame op deze twee dampend hete cd's laat horen is in de vrouwelijke popmuziek nauwelijks geëvenaard, laat staan overtroffen. Betty Davis, geboren als Betty Mabry, maar Davis geworden na een tumultueus huwelijk met Miles Davis van zegge en schrijven één jaar (Miles zei later over haar dat ze wild en ontembaar was, zei zij dat hij haar sloeg) was voorafgaand aan haar muzikale carrière fotomodel. Ze ontmoette Miles in 1968 en beïnvloedde hem hevig door hem kennis te laten maken met o.a. het werk van Jimi Hendrix en Sly Stone. De befaamde plaat Bitches Brew (de titel volgens ingewijden verwijzend naar Betty) is daar een rechtstreeks gevolg van. Na haar huwelijk week Betty uit naar Londen om haar professie als fotomodel opnieuw op te pakken. In de tussentijd schreef ze songs, en bij haar terugkeer in de Verenigde Staten dook ze een studio in om haar debuut op te nemen. Ze organiseerde de halve top van de westcoast (The Pointer Sisters, leden van Sly and The Family Stone, van Santana en van Tower of Power) om haar een handje te helpen en het hemel en aarde verschroeiende resultaat verscheen in 1973 onder de naam 'Betty Davis'. Een naam waarachter een artieste schuilging, die haar tijd vér vooruit was.

Hoe ver, dat bleek al snel. De plaat verkocht namelijk niet zo goed, net zo min als de twee ('They Say I'm Different' uit 1974 en 'Nasty Gal' uit 1975) die ze na haar debuut nog uitbracht. Twee veelzeggende titels, die min of meer al iets weggeven over het waarom van de tegenvallende verkopen. Geloof me als ik zeg dat het niets zegt over de kwaliteit van de muziek. Allesbehalve dat. Het zegt alles over de diepgewortelde angst en hypocrisie van Amerikanen waar het sex betreft. Want dat is waar het bij Betty om draait. Hete, kronkelend geile, onversneden onderbuiksex. Voorzien van soms lome, dan weer snoeihard swingende funkritmes waar het zweet vanaf druipt. En Betty zingt niet zomaar, nee, ze schreeuwt, krijst, snauwt en verleidt er op los. Tekstueel én muzikaal. Betty wil graag én veel nemen én genomen worden en iedere vetfunkende seconde die ze op haar debuut tot haar beschikking heeft zet ze daarvoor in. Dit was natuurlijk veel te confronterend voor die Amerikanen. Nummers als 'Game Is My Middle Name', 'If I'm in Luck I Might Get Picked Up', 'Ooh Yeah' en 'Anti Love Song' werden geboycot door veel radiostations; niet alleen vanwege de openlijke sexuele belijdenis, maar ook vanwege een uit de oerkracht afkomstig, onafhankelijk en zelfbewust vrouwenperspectief dat Betty innam. Alle aangeleerde onderdanigheid ging vanaf de eerste seconden meteen 3 hoog het raam uit, om nooit meer binnengelaten te worden. Dit alles gleed vooral rechtse geloofsgroeperingen (ja, toen ook al) de verkeerde strot in; die probeerden dan ook haar plaatverkoop en beruchte, controversïele live shows te boycotten. Met behoorlijk succes, want verder dan 3 platen en een cultstatus is Betty nooit gekomen. Na haar derde plaat trok ze zich terug uit de muziekwereld en werd het stil rond haar. Zelfs nu, nu ze vanwege de reïssues opnieuw in de belangstelling staat, wil ze niet meewerken aan de promotie ervan. Jammer misschien, maar het is niet anders.

Haar muzikale testament liegt er echter niet om. Het grootste gedeelte ervan is gelukkig weer gewoon beschikbaar. Zoals al gezegd, in prachtig verzorgde reïssues, met veel achtergrondinformatie en foto's die een uitstekend beeld geven van Betty. Een wild funkende boskat waarvan Santana zei dat ze de eerste Madonna was, en dat Madonna vergeleken bij Betty wordt teruggebracht tot het niveau Mary Osmond, of, dichterbij huis, Marianne Weber. Ik zou zelfs nog wat verder willen gaan door te zeggen dat Madonna welliswaar sex wereldwijd op de kaart heeft gezet, maar dat ze vooral sex acteert terwille van een vette portemonnee. Daar is bij Betty Davis totaal geen sprake van. Daar stroomt uit iedere muzikale porie de motorolie die de wereld al eeuwenlang doet draaien. Daar komt geen centimeter acteren bij kijken. Betty doet het gewoon.

zondag 22 juli 2007

Scott Walker - Scott 4

In iedere eeuw en in iedere kunstvorm komen geniale en invloedrijke kunstenaars voor. De meesten van hen worden tijdens hun leven herkend én erkend voor hun artistieke werk. Er zijn er echter ook, die tijdens hun leven niet de erkenning ten deel vallen die op grond van output en artistieke ontwikkeling verdiend zou zijn. Scott Engel, beter bekend als Scott Walker, is daar in mijn ogen een van de beste voorbeelden van. Zijn vroege werk met The Walker Brothers bracht hem al snel aan het hof van de vluchtige roem. De leegheid en de blinde adoratie die hem daar ten deel viel beviel hem echter zo slecht dat hij al snel naar middelen zocht om te ontsnappen aan de blauwdruk die er, ook in artistiek opzicht, voor hem klaar lag. Daar is hij, zo valt achteraf vast te stellen, ongelooflijk goed in geslaagd. Zijn zelfverkozen kluizenaarschap heeft hem opgeleverd wat hij zocht: persoonlijke én artistieke vrijheid, met maar één prijskaartje: op een handjevol 'ingewijden' na, kent niemand hem meer. Walker houdt zich dan ook nog maar mondjesmaat bezig met muziek. Zijn laatste 3 platen dateren respectievelijk uit 1983, 1995 en 2006. Niet direct wat je noemt een hoge productie. De laatste twee (Tilt en The Drift) hebben eigenlijk ook niets meer te maken met (pop) muziek zoals wij dat (menen te moeten) kennen. Alle denkbare grenzen worden er op deze platen opgezocht, en ik ken maar weinig mensen die op het eerste gehoor niet terugdeinzen van wat ze horen. Het is volstrekt originele kunst die volledig op zichzelf staat, maar die niet gemakkelijk te verteren is. Opera vermengt zich er op verontrustende wijze met een zwaar, geïndustrialiseerd geluid terwijl de aartsengel van het gezongen woord zich er doorheen beweegt alsof er geen regels gelden voor zijn vocale expressie. Het zijn door critici bejubelde albums, die amper verkopen. Het zijn albums waar, qua ondoorgrondelijkheid en uniciteit, Trout Mask Replica van Captain Beefheart als referentie kan dienen. Moeilijke kunst. Zoals ook Van Gogh en Picasso werden gelabeld toen zij actief waren.

Na zijn periode bij de Walker Brothers was Scott Walker behoorlijk actief en leverde hij tussen 1967 en 1969 4 platen op rij af (Scott 1 t/m 4). Platen waarop zijn krachtige, unieke stemgeluid centraal staat. Scott 4 (de andere 3 doen er niet echt voor onder) is in mijn ogen van deze 4 de beste. Het is de eerste waarop alle nummers van eigen hand zijn, waarop ook de eerste voortekenen van zijn latere werk te bespeuren zijn, maar waarin ook zijn vorige werk (solo en met de Walker Brothers) nog terug te horen valt. De plaat waarop alles samenvalt en die tevens de weg wijst naar de muzikale toekomst. De Jacques Brel covers zijn verdwenen, maar niet de invloed ervan. De instrumentatie is hier en daar spaarzaam dan weer weelderig, de arrangementen orchestraal en dramatisch maar vooral bol staand van ingehouden spanning. Scott is een gepassioneerd zanger, zo een die je zijn nummers intrekt en die je pas weer los laat als hij dat wil. Een goed voorbeeld hiervan is 'The Seventh Seal,' dat zich met zijn mariachi trompetten en dramatische vertelling voor je verbaasde oren als een middeleeuwse Ennio Morricone spaghetti western ontrolt. In 'The Old Man's Back Again' valt goed te horen hoe onder andere Bryan Ferry en David Bowie schatplichtig zijn aan zijn manier van zingen. Er vallen op de plaat vleugjes soul en gospel te horen, mini-opera's en weelderige chansonachtige pop. Scott 4 is simpelweg het werk van een artiest op de toppen van zijn kunnen.

Scott 4 ontving bij zijn verschijning in 1969 gemengde kritieken en verkocht erg slecht. Reden voor Walker om zich geruime tijd terug te trekken uit de popmuziek. Zijn eerste echte (solo) teken van leven zou Climate of Hunter worden in 1983, een ander meesterwerk wat eveneens bij verschijning niet begrepen werd. Scott Walker doet echter geen concessies aan zijn eigen muzikale visie en gaat door met maken met wat hij denkt dat er door hem gemaakt moet worden. Met de vluchtige wereld van de popmuziek heeft zijn werk allang niets meer te maken. Maar, zoals ik al zei, op Scott 4 vallen al zijn werelden samen. Het is een perfecte plaat om een van de allergrootse kunstenaars van onze tijd aan het werk te horen.

zondag 15 juli 2007

Loney Dear - Loney Noir

Ik zal het maar meteen toegeven: ik werd vanaf het eerste moment totaal en onvoorwaardelijk ingepakt door de prachtige liedjes van Emil Svanängen, een soort van Zweedse Spinvis die opereert onder de naam Loney, Dear. Blijkbaar raakt zijn muziek ergens een snaar die dwars door alle doorgewinterde muzikale jaren heen lag te wachten om beroerd te worden. Enige objectiviteit valt van mij dan ook in deze recensie niet te verwachten. Ik ben om. En dat gebeurt me hoogstens een aantal keren per jaar. Wat me trouwens opvalt is dat het niet de eerste keer is dit jaar dat de veroorzakers hiervan uit Scandinavië komen. Niet direct een gebied waar de meeste mensen goede popmuziek vandaan verwachten. Die schijnt nog altijd uit Engeland of Amerika te moeten komen. Maar er gebeuren spannende dingen in Scandinavië, en Loney, Dear is daarvan een meer dan aansprekend bewijs.

Die Spinvis vergelijking van daarnet maakte ik natuurlijk niet voor niets. Waar Eric de Jong in Nieuwengein in zijn keurige rijtjeshuis op zijn zolderkamertje zat te knutselen aan zijn eenmansband muziek, zo deed Emil dat in Zweden. Om precies te zijn in Jönköping, gelegen in het Zuid-Zweedse Småland, een gebied met een mooie natuur, veel bos en meertjes. Hier woont Emil nog steeds, samen met zijn familie, naar het schijnt in een mooi huis. Hij zat echter niet op zolder, maar hij zat in de kelder. Daar werkte hij net zo lang aan zijn muziek totdat hij het goed genoeg vond om op cd te branden en onder de naam Loney, Dear, via eigen beheer uit te brengen. Op deze wijze vonden zijn eerste plaatjes hun weg naar een zeer select publiek. Tot de onvermijdelijke man van het onvermijdelijke kleine platenlabel (Sub Pop) per toeval zo'n plaatje hoorde en Emil een contract aanbood. Met als gevolg dat deze zijn baantje kon opzeggen en nóg meer tijd in zijn kelder kon gaan doorbrengen. Dit resulteerde niet alleen al in de (in een echte studio afgemixte) platen Sologne en Loney, Noir, maar naar eigen zeggen komt er in 2008 een cd met de werktitel Dear John, die zijn allerbeste liedjes bevat. En ik geloof dat direct.

Wat de muziek van Loney, Dear nu zo bijzonder maakt is dat je er vooral erg blij van wordt. Zelf zingt hij in het eerste nummer: 'all I want is a state of hope'. Een betere omschrijving valt er eigenlijk niet te geven. Ieder nummer begint eenvoudig en rammelt zich op charmante wijze via belletjes, koortjes, allerlei instrumenten en tegenmelodietjes naar een hoogtepunt om daar als een muzikaal confetti-kanon te ontploffen. Daar bovenuit klinkt de kinderlijk hoge zang van Emil, die hier en daar zingt als Brian Wilson met een forse vleug helium achter de kiezen. Dit is aanstekelijk geluk, in 10 perfecte 3 minuten liedjes verpakt en met kinderlijke ernst voor het voetlicht gebracht. Want de liedjes gaan natuurlijk over het echte leven en wat dat zoal doet met een simpele ziel als Emil uit Jönköping.

Ik zei het al, ik ben om. Ik heb dit prachtige plaatje wekenlang gedraaid om steeds opnieuw weer zo blij te worden als een kind. Probeer het zelf ook eens. Het werkt verdomd aanstekelijk.

zondag 8 juli 2007

Neutral Milk Hotel - In The Aeroplane Over The Sea

Altijd als ik langs het Anne Frank huis fiets verbaas ik me erover hoeveel toeristen er in de rij staan. Weer of geen weer, ze staan er altijd. Blijkbaar verwachten ze iets belangrijks te zien of te vinden in het Achterhuis. Voor mij raadselachtig, maar ikzelf heb dan ook helemaal niets met die mondiale Anne Frank fetish. Dat hele dagboek is door film en tv tot een sentimentele, suikerzoete verdisneysering van de Holocaust opgeklopt en men komt eigenlijk voorgekookt leed op fast-food achtige wijze consumeren. Maar goed, het doet blijkbaar wat met de mensen. En een van de mensen waar het absoluut wat mee deed was Jeff Mangnum. Of hij het Achterhuis daadwerkelijk bezocht heeft is mij onbekend; wel dat het lezen van het dagboek van Anne Frank een totaal overrompelende emotionele ervaring voor hem was. Het soort ervaring wat de Amerikanen zo mooi 'a life changing event' noemen. Hij had die ervaring overigens niet als kind, een levensfase waarin het naïeve geleuter van een puberend meisje nog voor iets kostbaars kan worden aangezien. Nee, hij had het als volwassene. En (nu komen we er dan eindelijk) hij zette, als opperhoofd van Neutral Milk Hotel, deze ervaring om in de muziek op deze plaat. Je luistert dus eigenlijk naar het verslag van zijn hoogst persoonlijke Anne Frank beleving. En het moet gezegd: het valt er soms totaal niet uit te halen, en toch voel je dat de emotie van de hele plaat erover gaat. En het klinkt nog oprecht ook.

Neutral Milk Hotel is overigens niet het soort bandje waarvan iedereen zegt:' o ja, natuurlijk'. Toch is de invloed van de band, en dan met name van deze plaat, minstens net zo groot als die van The Velvet Undergound ten tijde van 'The Velvet Underground & Nico'. En dat niet alleen omdat beide bands zangers hadden die niet echt goed konden zingen. Beide bands inspireerden anderen om vooral zelf een bandje te beginnen, beide bands worden gezien als belangrijke grondleggers binnen hun tijdperk, en beide bands waren vrijwel onbekend bij het grotere publiek toen ze actief waren.

Terug naar de plaat. Een die door een met muziek en tekst schilderende Salvador Dali gemaakt had kunnen worden. Zo eentje waar de vlammende verf nog nat van af druipt, surrealistische patronen achterlatend op je gehoorbeentjes. Een plaat die je langs een bonte kermis van kaleidoscopische kleuren, geluiden en schijnbaar lukraak verknipte impressies voert, daarbij uitblinkend in soms zeer gelaagd geproduceerde simpelheid. Een werkstuk ook dat het afzonderlijk noemen van nummers eigenlijk in de weg staat. Dit is tegelijkertijd de motor achter de met terugwerkende kracht groeiende reputatie van 'In The Aeroplane Over The Sea.' Het is een totaalervaring, geen plaat met liedjes. Alsof je in een vliegtuig stapt dat je over de grenzen van je eigen bewustzijn naar een holografisch universum brengt, waar Anne Frank in vele vormen en gedaantes weerspiegeld wordt. Je komt op plekken zonder ruimte en tijd, van die plekken waarvan je niet wist dat ze er waren maar waarvan je weet dat je ze uit je dromen kent. En waar je die vreemde stem, op een spiraliserende balkan melodie, maar blijft horen zingen:

'And I know they buried her body with others
Her sister and mother and 500 families
And will she remember me 50 years later
I wished I could save her in some sort of time machine
Know all your enemies
We know who our enemies are'

Schopenhauer heeft ooit gezegd dat genieën slechts één verdieping boven de waanzin wonen. Vanaf die verdieping worden soms uiterst originele platen op de wereld losgelaten. Met daarop vaak geniale, tegen gekte aanzittende muziek. Dit is zo'n plaat.

zondag 1 juli 2007

Mavis Staples - We'll Never Turn Back

Mavis Staples heeft zonder twijfel een van de meest herkenbare en aansprekende stemmen in de soul en gospelmuziek van de 20e en 21e eeuw. Als jong meisje begon ze al in 1950 met zingen in de Staple Singers, een gospelgroep die bestond uit haar vader Roebuck 'Pops' Staples, haar broer Pervis en haar zussen Cleo en Yvonne. Al snel bleek de stem van de jonge Mavis, naast het typerende stemgeluid én gitaarspel van haar vader Pops, een van de sleutels tot het succes van de Staple Singers. Er was gewoonweg nog nooit iemand geweest die gospel zo smachtend kon laten klinken. Haar gruizige, honingzoete én rauw klinkende stem was in staat om zelfs verstokte atheïsten te verleiden op hun knieën naar de kerk te kruipen om daar boete te doen. En als Mavis kreunde, dan deed sex zijn intrede in de gospel, terwijl ze tegelijkertijd geloofwaardig, doorleefd en spiritueel bleef klinken. Eind jaren '60 tekenden de Staple Singers bij Stax en maakten voor dat label een aantal geweldige soulplaten op rij. Een periode waarin naast gospel en soul het zwarte bewustzijn rond burgerrechten de belangrijkste rol speelde in hun muziek. En ook de periode dat de Staple Singers 'God's Greatest Hitmakers' werden genoemd, want die hadden ze en passant ook nog.

Halverwege de jaren '70 ging Mavis solo, maakte een aantal aardige platen en verdween tot eind jaren '80 uit beeld. Tot Prince, fan van haar stem, langskwam. Prince, met de allerbeste bedoelingen wellicht, meende Mavis indertijd te moeten opleuken met zijn 'sound'. Dat leidde tot twee hip bedoelde kruisingen tussen Prince en Mavis die het niveau muzikale nageboorte nooit helemaal ontstegen. Het was van beiden net niks. Daarna, we spreken over 1993, was het weer heel lang stil. Tot 2004, om precies te zijn. Toen kwam, in de soulrevival die al enige tijd bezig was (Solomon Burke, Bettye Lavette, Candi Staton) 'Have A Little Faith' uit. Een uitstekende plaat waarop haar roots in gospel samenvallen met haar eigen diepe geloof en spiritualiteit en verlossing. En nu ligt er dan 'We'll Never Turn Back', een plaat die, geproduceerd door niemand minder dan Ry Cooder, diep intapt op het sociale bewustzijn van Mavis.

Ry Cooder begrijpt gelukkig vele malen beter dan Prince indertijd waar het bij Mavis om draait: Mavis is een oude ziel, die het beste past in een tijdloos muzikaal decor. Het eerste nummer,' Down In Mississippi' is hiervan meteen het bewijs: donkere koortjes, een oude banjo, kale, droog klinkende drums, een vleugje Jezus en daaroverheen de gerijpte stem van Mavis zelf. Het tweede nummer 'Eyes On The Prize' opent met Cooder op gitaar: een direct vanuit zijn onderbuik spelende Cooder zoals hij nog klonk ten tijde van 'Bring The Family' van John Hiatt. En Mavis blijft, bijgestaan door een loom swingend gospelkoortje, dwars over deze hoekige blues heen kreunen, draaien, zweten en bezielen. De absolute prijspakker is het nummer 'My Own Eyes', waarin Mavis op een rijtje zet wat ze allemaal gezien heeft in haar leven, wat de prijs is die ze betaald heeft en wat er allemaal niet veranderd is, alle inspanningen ten spijt. Toch klinkt het nergens cynisch of moedeloos, integendeel. Er spreekt een groot geloof uit, gekoppeld aan een wakker bewustzijn dat zich niet opzij laat zetten door veranderende tijden en veranderende praatjes die uiteindelijk op hetzelfde blijven neerkomen. En heel terloops speelt Ry Cooder hier de ballen uit zijn broek in een opzwepend ritme dat perfect past bij de sfeer van het nummer. Dit is het echte werk; het soort werk waar hedendaagse R&B huppelkutjes niet eens van weten hoe ze daar bij in de buurt moeten komen, ook al krijgen ze er een gratis Tom Tom bij geleverd.

Liefhebbers van de wederopstanding van Bettye Lavette en Solomon Burke (beiden geproduceerd door de onvolprezen Joe Henry) doen er goed aan deze machtige cd eens te beluisteren. En mocht de geest in je neerdalen, het eind jaren '60 en eerste jaren '70 materiaal van de Staple Singers zelf is niet te versmaden.

Soul Uplifting Music, zo noemden ze dit indertijd. Wat een gelijk hadden ze.

Copyright

Alle content © Moving Sounds - Savant 2007