zondag 12 augustus 2007

Grandaddy - The Sophtware Slump

'Adrift again 2000 man.' Op de tonen van iets wat op een klavecimbel lijkt komt deze zin als eerste op je af. Het geluid ijl, de stem een beetje onaards, de klavecimbel haperend en dan wegstervend na iets meer dan een minuut. Waarop een computerachtige stem aftelt en je opeens in een prachtig, accoustisch gedragen maar met vreemde geluidjes opgesierd nummer terechtkomt. 'How is it goin' 2000 man', vraagt dezelfde stem zich af, terwijl het nummer zo rond de 3 minuten abrupt tot een vreemde stilstand komt, de piano in de war lijkt te zijn en de zaak opeens enorm vertraagd. Je hoort slechts een piano, synthesizer komt er bij, bliepgeluidjes makend en een russisch aandoend achtergrondkoor verzorgend, en dan weer die stem: 'are you givin' in, 2000 man'? Als een mantra wordt de tekst herhaald terwijl het nummer spiraliseert naar een hypnotiserend opgebouwd einde wat uren door lijkt te gaan. Het geheel duurt echter een kleine 9 minuten, verveelt werkelijk geen moment en luistert naar de welluidende naam 'He's Simple, He's Dumb, He's The Pilot'. En dan heb je het eerste nummer pas te pakken. Welkom in de wereld van Grandaddy, een amerikaanse underground band die (helaas) al weer ter ziele is, maar die voor het hemelen een aantal prachtige cd's achterliet.

De muziek van Grandaddy kent rock en folkinvloeden, vermengd met minimalistische, psychedelische spacepop, gezongen met een aan Neil Young schatplichtige stem. In hun werk focussen ze zich op de toenemende vervreemding van het individu in een steeds technocratischer wordende wereld. Maar ook natuur, liefdesverdriet, milieu en robots duiken als thema's op. In het nummer, 'Jed the Humanoid' wordt op een ijl, droevig, klassiek aandoend melodietje het verhaal verteld van JedE-3: een robot die in de keuken gemaakt werd van 'wat er maar in de buurt was'. Iedereen was blij met Jed. Hij kon lopen, gedachten formuleren, gedichten schrijven, zingen en problemen oplossen. Na een tijdje ging het nieuwe er echter wel af en werd Jed verwaarloosd. Dit trok Jed niet zo best. Op een goede dag greep Jed een fles sterke drank, goot deze naar binnen en veroorzaakte hiermee een helaas dodelijke kortsluiting bij zichzelf. Ik bedoel maar, het geeft een idee van de wereld van Grandaddy. Een wereld die verwantschap vertoont met het werk van o.a. Sparklehorse, Mercury Rev en The Flaming Lips. Ook bands die zich via een uniek eigen geluid een plaats hebben veroverd in wat Neo-Psychedelica is gaan heten.

Er zit iets dromerigs in de muziek van Grandaddy. Iets naïefs wellicht. Het is muziek voor op de Ipod als je in de natuur bent. Hun muziek, hoewel soms ook stevig, beukt niet, duwt niet, dwingt je tot niets, wil niets van je. De klanken spoelen om je heen als golven in de branding. Een droevige soundtrack voor een vreemde science-fiction film die je nog nooit gezien hebt, maar die je op de een of andere wijze toch kent. Als je op zoek bent naar iets verrassends dat vervreemdend klinkt, onaards soms, maar dat toch weet te verbinden, dan ben je op deze cd aan het juiste adres.

zondag 5 augustus 2007

Gorki - Eindelijk Vakantie

De kwaliteit van de Nederlandstalige songtekst laat vaak behoorlijk te wensen over. Op enkele gunstige uitzonderingen na (Spinvis, Huub van der Lubbe, Bram Vermeulen en natuurlijk Lennaert Nijgh) wordt er gesinterklaasrijmd dat het een lieve lust is. Op zich niet erg, maar op het moment dat het als Grote Kunst wordt verkocht krijg ik altijd spontaan een balverzakking van al die opgezwollen pretenties. Gelukkig hebben vele anderen daar geen last van. Die deinen massaal, met aansteker en al, cultureel verantwoord mee op de loodzware candlelightteksten van o.a. Bløf en Borsato, die Grote Woorden, Krachtige Emoties en Diepe Symboliek als slecht drogende behangerslijm over de onwetende luisteraar uitsmeren. Plakkende muziek, ik kan er geen beter woord voor bedenken. En ik zeg met opzet onwetend, want echt goede dingen krijgen (ook op de radio) nauwelijks een kans bij deze zogenaamde groep cultuurkenners. Zoals het spreekwoord al zegt: onbekend maakt onbemind. Wat goed van toepassing is op Luc de Vos van de Belgische band Gorki: in eigen land een absolute held, in ons land nagenoeg onbekend.

Luc de Vos trapte in 1991 met zijn band Gorky (Russisch voor 'de bittere', de band werd een paar jaar later omgedoopt tot Gorki) de Belgische muzikale deuren wijd open met nummers als 'Anja', 'Lieve Kleine Piranha' en 'Soms Vraagt Een Mens Zich Af'. Het B-kantje van dat laatste nummer, Mia, is door de luisteraars van Studio Brussel al drie keer tot Plaat van de Eeuw uitgeroepen. Het is verkozen tot beste Belgische nummer allertijden en stond daar een paar jaar geleden met kerst op 1 in de tijdloze 150. Nu weet ik wel dat dit soort verkiezingen niet alles zeggen, en dat Luc de Vos zelf Mia een nummer vindt dat 'nergens over gaat', maar toch. Blijkbaar missen we iets. Het is mij al geruime tijd een volslagen raadsel waarom Gorki in ons land niet tot de allergrootsten behoort. Aan de muziek kan het niet liggen: stevige, melodieuze rock met een scherp en rafelig randje, op latere platen afgewisseld met ingetogener en dromerig werk. De stem van de Vos schijnt ook niet iedereen over te streep te trekken. Toegegeven, het is geen 'mooie' zanger. Maar wat hij doet past wel uitstekend bij de teksten en de muziek. En de teksten zijn van eenzame klasse. Toch zet Gorki bij ons nog geen meter cd's weg, en treedt dientengevolge amper op in ons land. Het droevige feit is dit: in een land dat voornamelijk geilt op Xander de Buisonjé, Syb van der Ploeg, Pascal Jacobs en Marco Borsato (toch ook vertegenwoordigers van 'de betere nederlandstalige popmuziek') is blijkbaar geen ruimte voor Gorki.
In interviews heeft Luc De Vos wel eens gezegd dat het zou kunnen zijn dat zijn teksten te 'diep' zijn voor het Nederlandse Volk. Nederlanders horen volgens hem liever platte teksten als 'Ik zit op een kruk en ik voel me alleen' dan zijn teksten. Wat het ook mag zijn, we snappen het hier niet of, erger nog, we willen het niet snappen. Welke van de twee het ook is (of een combinatie), de optelsom blijft dezelfde: we zijn stom. Stom, dat we zoiets moois als Gorki aan ons voorbij laten gaan.

Eindelijk Vakantie (geweldige titel) is een plaat van alweer een aantal jaren terug. De meest recente heet Homo Erectus, ook een goede plaat, maar Eindelijk Vakantie was voor mij de eerste echte kennismaking met het werk van Luc de Vos. Hier komt de essentie van Gorki al perfect samen: surrealistisch aandoende teksten die handelen over het leven van alledag. Gezet op muziek die experimenteert met electronica en geprogrammeerde beats, zonder een organisch groepsgeluid uit het oog te verliezen. Kenmerkend voor veel teksten is de humor die,
bij nadere beluistering, over kan gaan in zwaarmoedig aandoende observaties, die ook weer heel kinderlijk kunnen aandoen. Want dat kenmerkt Luc de Vos misschien nog wel het meest: hij is een jongetje gebleven dat zich, met alle naïviteit die daar bij hoort, blijft verwonderen over wat hij ziet en meemaakt. Een jongetje in een groot, vreemd aanvoelend lichaam dat liever geen duidelijke keuzes wil maken ('red mijn ziel vooral, maar ook mijn mooie lichaam'). Een groot kind dat niets liever wil dan geliefd te worden door iedereen, maar dan zonder zijn positie van buitenstaander op te geven. Een jongetje dat vlucht in zijn eigen, rijke, veelkleurige droomwereld ('in mijn bed doe ik niemand kwaad') als de harde grauwe werkelijkheid té dichtbij komt. Waar hij vervolgens wel naar uithaalt, getuige zijn sneer naar het oprukkend rechts gedachtegoed in Belgïe ('ik schop die bende een geweten, tot ze er bont en blauw van zien'). Tegelijkertijd ademen zijn teksten voldoende ruimte om er op de openvallende stippellijntjes allerlei eigen betekenissen aan toe te kunnen voegen, zonder dat het afbreuk doet aan het geheel. Luc de Vos weet beelden in je op te roepen waarvan je niet wist dat ze er waren; beelden die ontroeren, die de fantasie prikkelen en die je tot actief luisteren aanzetten. Je kijkt als het ware naar mini-schilderijtjes, gemaakt door een getalenteerd wonderkind. Het cd boekje is wat dat betreft illustratief: een ouderwets aandoende kindertekening, met nummers in de vakjes die je vervolgens zelf in mag kleuren. Zo heeft iedereen zijn eigen Gorki. Wat volgens mij ook precies de bedoeling is. In Belgïe is dat ruimschoots gelukt. Nu wij nog.


zondag 29 juli 2007

Betty Davis - Betty Davis / They Say I'm Different

Onlangs verschenen er bij 'Light in the Attic Records' twee prachtig verzorgde reïssues uit de beginjaren zeventig met daarop werk, gemaakt door ene Betty Davis. Betty who, zult u vragen? Precies. Er is zowat geen hond meer die weet wie zij was, en dat mag rustig een schandaal genoemd worden. Want wat deze dame op deze twee dampend hete cd's laat horen is in de vrouwelijke popmuziek nauwelijks geëvenaard, laat staan overtroffen. Betty Davis, geboren als Betty Mabry, maar Davis geworden na een tumultueus huwelijk met Miles Davis van zegge en schrijven één jaar (Miles zei later over haar dat ze wild en ontembaar was, zei zij dat hij haar sloeg) was voorafgaand aan haar muzikale carrière fotomodel. Ze ontmoette Miles in 1968 en beïnvloedde hem hevig door hem kennis te laten maken met o.a. het werk van Jimi Hendrix en Sly Stone. De befaamde plaat Bitches Brew (de titel volgens ingewijden verwijzend naar Betty) is daar een rechtstreeks gevolg van. Na haar huwelijk week Betty uit naar Londen om haar professie als fotomodel opnieuw op te pakken. In de tussentijd schreef ze songs, en bij haar terugkeer in de Verenigde Staten dook ze een studio in om haar debuut op te nemen. Ze organiseerde de halve top van de westcoast (The Pointer Sisters, leden van Sly and The Family Stone, van Santana en van Tower of Power) om haar een handje te helpen en het hemel en aarde verschroeiende resultaat verscheen in 1973 onder de naam 'Betty Davis'. Een naam waarachter een artieste schuilging, die haar tijd vér vooruit was.

Hoe ver, dat bleek al snel. De plaat verkocht namelijk niet zo goed, net zo min als de twee ('They Say I'm Different' uit 1974 en 'Nasty Gal' uit 1975) die ze na haar debuut nog uitbracht. Twee veelzeggende titels, die min of meer al iets weggeven over het waarom van de tegenvallende verkopen. Geloof me als ik zeg dat het niets zegt over de kwaliteit van de muziek. Allesbehalve dat. Het zegt alles over de diepgewortelde angst en hypocrisie van Amerikanen waar het sex betreft. Want dat is waar het bij Betty om draait. Hete, kronkelend geile, onversneden onderbuiksex. Voorzien van soms lome, dan weer snoeihard swingende funkritmes waar het zweet vanaf druipt. En Betty zingt niet zomaar, nee, ze schreeuwt, krijst, snauwt en verleidt er op los. Tekstueel én muzikaal. Betty wil graag én veel nemen én genomen worden en iedere vetfunkende seconde die ze op haar debuut tot haar beschikking heeft zet ze daarvoor in. Dit was natuurlijk veel te confronterend voor die Amerikanen. Nummers als 'Game Is My Middle Name', 'If I'm in Luck I Might Get Picked Up', 'Ooh Yeah' en 'Anti Love Song' werden geboycot door veel radiostations; niet alleen vanwege de openlijke sexuele belijdenis, maar ook vanwege een uit de oerkracht afkomstig, onafhankelijk en zelfbewust vrouwenperspectief dat Betty innam. Alle aangeleerde onderdanigheid ging vanaf de eerste seconden meteen 3 hoog het raam uit, om nooit meer binnengelaten te worden. Dit alles gleed vooral rechtse geloofsgroeperingen (ja, toen ook al) de verkeerde strot in; die probeerden dan ook haar plaatverkoop en beruchte, controversïele live shows te boycotten. Met behoorlijk succes, want verder dan 3 platen en een cultstatus is Betty nooit gekomen. Na haar derde plaat trok ze zich terug uit de muziekwereld en werd het stil rond haar. Zelfs nu, nu ze vanwege de reïssues opnieuw in de belangstelling staat, wil ze niet meewerken aan de promotie ervan. Jammer misschien, maar het is niet anders.

Haar muzikale testament liegt er echter niet om. Het grootste gedeelte ervan is gelukkig weer gewoon beschikbaar. Zoals al gezegd, in prachtig verzorgde reïssues, met veel achtergrondinformatie en foto's die een uitstekend beeld geven van Betty. Een wild funkende boskat waarvan Santana zei dat ze de eerste Madonna was, en dat Madonna vergeleken bij Betty wordt teruggebracht tot het niveau Mary Osmond, of, dichterbij huis, Marianne Weber. Ik zou zelfs nog wat verder willen gaan door te zeggen dat Madonna welliswaar sex wereldwijd op de kaart heeft gezet, maar dat ze vooral sex acteert terwille van een vette portemonnee. Daar is bij Betty Davis totaal geen sprake van. Daar stroomt uit iedere muzikale porie de motorolie die de wereld al eeuwenlang doet draaien. Daar komt geen centimeter acteren bij kijken. Betty doet het gewoon.

zondag 22 juli 2007

Scott Walker - Scott 4

In iedere eeuw en in iedere kunstvorm komen geniale en invloedrijke kunstenaars voor. De meesten van hen worden tijdens hun leven herkend én erkend voor hun artistieke werk. Er zijn er echter ook, die tijdens hun leven niet de erkenning ten deel vallen die op grond van output en artistieke ontwikkeling verdiend zou zijn. Scott Engel, beter bekend als Scott Walker, is daar in mijn ogen een van de beste voorbeelden van. Zijn vroege werk met The Walker Brothers bracht hem al snel aan het hof van de vluchtige roem. De leegheid en de blinde adoratie die hem daar ten deel viel beviel hem echter zo slecht dat hij al snel naar middelen zocht om te ontsnappen aan de blauwdruk die er, ook in artistiek opzicht, voor hem klaar lag. Daar is hij, zo valt achteraf vast te stellen, ongelooflijk goed in geslaagd. Zijn zelfverkozen kluizenaarschap heeft hem opgeleverd wat hij zocht: persoonlijke én artistieke vrijheid, met maar één prijskaartje: op een handjevol 'ingewijden' na, kent niemand hem meer. Walker houdt zich dan ook nog maar mondjesmaat bezig met muziek. Zijn laatste 3 platen dateren respectievelijk uit 1983, 1995 en 2006. Niet direct wat je noemt een hoge productie. De laatste twee (Tilt en The Drift) hebben eigenlijk ook niets meer te maken met (pop) muziek zoals wij dat (menen te moeten) kennen. Alle denkbare grenzen worden er op deze platen opgezocht, en ik ken maar weinig mensen die op het eerste gehoor niet terugdeinzen van wat ze horen. Het is volstrekt originele kunst die volledig op zichzelf staat, maar die niet gemakkelijk te verteren is. Opera vermengt zich er op verontrustende wijze met een zwaar, geïndustrialiseerd geluid terwijl de aartsengel van het gezongen woord zich er doorheen beweegt alsof er geen regels gelden voor zijn vocale expressie. Het zijn door critici bejubelde albums, die amper verkopen. Het zijn albums waar, qua ondoorgrondelijkheid en uniciteit, Trout Mask Replica van Captain Beefheart als referentie kan dienen. Moeilijke kunst. Zoals ook Van Gogh en Picasso werden gelabeld toen zij actief waren.

Na zijn periode bij de Walker Brothers was Scott Walker behoorlijk actief en leverde hij tussen 1967 en 1969 4 platen op rij af (Scott 1 t/m 4). Platen waarop zijn krachtige, unieke stemgeluid centraal staat. Scott 4 (de andere 3 doen er niet echt voor onder) is in mijn ogen van deze 4 de beste. Het is de eerste waarop alle nummers van eigen hand zijn, waarop ook de eerste voortekenen van zijn latere werk te bespeuren zijn, maar waarin ook zijn vorige werk (solo en met de Walker Brothers) nog terug te horen valt. De plaat waarop alles samenvalt en die tevens de weg wijst naar de muzikale toekomst. De Jacques Brel covers zijn verdwenen, maar niet de invloed ervan. De instrumentatie is hier en daar spaarzaam dan weer weelderig, de arrangementen orchestraal en dramatisch maar vooral bol staand van ingehouden spanning. Scott is een gepassioneerd zanger, zo een die je zijn nummers intrekt en die je pas weer los laat als hij dat wil. Een goed voorbeeld hiervan is 'The Seventh Seal,' dat zich met zijn mariachi trompetten en dramatische vertelling voor je verbaasde oren als een middeleeuwse Ennio Morricone spaghetti western ontrolt. In 'The Old Man's Back Again' valt goed te horen hoe onder andere Bryan Ferry en David Bowie schatplichtig zijn aan zijn manier van zingen. Er vallen op de plaat vleugjes soul en gospel te horen, mini-opera's en weelderige chansonachtige pop. Scott 4 is simpelweg het werk van een artiest op de toppen van zijn kunnen.

Scott 4 ontving bij zijn verschijning in 1969 gemengde kritieken en verkocht erg slecht. Reden voor Walker om zich geruime tijd terug te trekken uit de popmuziek. Zijn eerste echte (solo) teken van leven zou Climate of Hunter worden in 1983, een ander meesterwerk wat eveneens bij verschijning niet begrepen werd. Scott Walker doet echter geen concessies aan zijn eigen muzikale visie en gaat door met maken met wat hij denkt dat er door hem gemaakt moet worden. Met de vluchtige wereld van de popmuziek heeft zijn werk allang niets meer te maken. Maar, zoals ik al zei, op Scott 4 vallen al zijn werelden samen. Het is een perfecte plaat om een van de allergrootse kunstenaars van onze tijd aan het werk te horen.

zondag 15 juli 2007

Loney Dear - Loney Noir

Ik zal het maar meteen toegeven: ik werd vanaf het eerste moment totaal en onvoorwaardelijk ingepakt door de prachtige liedjes van Emil Svanängen, een soort van Zweedse Spinvis die opereert onder de naam Loney, Dear. Blijkbaar raakt zijn muziek ergens een snaar die dwars door alle doorgewinterde muzikale jaren heen lag te wachten om beroerd te worden. Enige objectiviteit valt van mij dan ook in deze recensie niet te verwachten. Ik ben om. En dat gebeurt me hoogstens een aantal keren per jaar. Wat me trouwens opvalt is dat het niet de eerste keer is dit jaar dat de veroorzakers hiervan uit Scandinavië komen. Niet direct een gebied waar de meeste mensen goede popmuziek vandaan verwachten. Die schijnt nog altijd uit Engeland of Amerika te moeten komen. Maar er gebeuren spannende dingen in Scandinavië, en Loney, Dear is daarvan een meer dan aansprekend bewijs.

Die Spinvis vergelijking van daarnet maakte ik natuurlijk niet voor niets. Waar Eric de Jong in Nieuwengein in zijn keurige rijtjeshuis op zijn zolderkamertje zat te knutselen aan zijn eenmansband muziek, zo deed Emil dat in Zweden. Om precies te zijn in Jönköping, gelegen in het Zuid-Zweedse Småland, een gebied met een mooie natuur, veel bos en meertjes. Hier woont Emil nog steeds, samen met zijn familie, naar het schijnt in een mooi huis. Hij zat echter niet op zolder, maar hij zat in de kelder. Daar werkte hij net zo lang aan zijn muziek totdat hij het goed genoeg vond om op cd te branden en onder de naam Loney, Dear, via eigen beheer uit te brengen. Op deze wijze vonden zijn eerste plaatjes hun weg naar een zeer select publiek. Tot de onvermijdelijke man van het onvermijdelijke kleine platenlabel (Sub Pop) per toeval zo'n plaatje hoorde en Emil een contract aanbood. Met als gevolg dat deze zijn baantje kon opzeggen en nóg meer tijd in zijn kelder kon gaan doorbrengen. Dit resulteerde niet alleen al in de (in een echte studio afgemixte) platen Sologne en Loney, Noir, maar naar eigen zeggen komt er in 2008 een cd met de werktitel Dear John, die zijn allerbeste liedjes bevat. En ik geloof dat direct.

Wat de muziek van Loney, Dear nu zo bijzonder maakt is dat je er vooral erg blij van wordt. Zelf zingt hij in het eerste nummer: 'all I want is a state of hope'. Een betere omschrijving valt er eigenlijk niet te geven. Ieder nummer begint eenvoudig en rammelt zich op charmante wijze via belletjes, koortjes, allerlei instrumenten en tegenmelodietjes naar een hoogtepunt om daar als een muzikaal confetti-kanon te ontploffen. Daar bovenuit klinkt de kinderlijk hoge zang van Emil, die hier en daar zingt als Brian Wilson met een forse vleug helium achter de kiezen. Dit is aanstekelijk geluk, in 10 perfecte 3 minuten liedjes verpakt en met kinderlijke ernst voor het voetlicht gebracht. Want de liedjes gaan natuurlijk over het echte leven en wat dat zoal doet met een simpele ziel als Emil uit Jönköping.

Ik zei het al, ik ben om. Ik heb dit prachtige plaatje wekenlang gedraaid om steeds opnieuw weer zo blij te worden als een kind. Probeer het zelf ook eens. Het werkt verdomd aanstekelijk.

zondag 8 juli 2007

Neutral Milk Hotel - In The Aeroplane Over The Sea

Altijd als ik langs het Anne Frank huis fiets verbaas ik me erover hoeveel toeristen er in de rij staan. Weer of geen weer, ze staan er altijd. Blijkbaar verwachten ze iets belangrijks te zien of te vinden in het Achterhuis. Voor mij raadselachtig, maar ikzelf heb dan ook helemaal niets met die mondiale Anne Frank fetish. Dat hele dagboek is door film en tv tot een sentimentele, suikerzoete verdisneysering van de Holocaust opgeklopt en men komt eigenlijk voorgekookt leed op fast-food achtige wijze consumeren. Maar goed, het doet blijkbaar wat met de mensen. En een van de mensen waar het absoluut wat mee deed was Jeff Mangnum. Of hij het Achterhuis daadwerkelijk bezocht heeft is mij onbekend; wel dat het lezen van het dagboek van Anne Frank een totaal overrompelende emotionele ervaring voor hem was. Het soort ervaring wat de Amerikanen zo mooi 'a life changing event' noemen. Hij had die ervaring overigens niet als kind, een levensfase waarin het naïeve geleuter van een puberend meisje nog voor iets kostbaars kan worden aangezien. Nee, hij had het als volwassene. En (nu komen we er dan eindelijk) hij zette, als opperhoofd van Neutral Milk Hotel, deze ervaring om in de muziek op deze plaat. Je luistert dus eigenlijk naar het verslag van zijn hoogst persoonlijke Anne Frank beleving. En het moet gezegd: het valt er soms totaal niet uit te halen, en toch voel je dat de emotie van de hele plaat erover gaat. En het klinkt nog oprecht ook.

Neutral Milk Hotel is overigens niet het soort bandje waarvan iedereen zegt:' o ja, natuurlijk'. Toch is de invloed van de band, en dan met name van deze plaat, minstens net zo groot als die van The Velvet Undergound ten tijde van 'The Velvet Underground & Nico'. En dat niet alleen omdat beide bands zangers hadden die niet echt goed konden zingen. Beide bands inspireerden anderen om vooral zelf een bandje te beginnen, beide bands worden gezien als belangrijke grondleggers binnen hun tijdperk, en beide bands waren vrijwel onbekend bij het grotere publiek toen ze actief waren.

Terug naar de plaat. Een die door een met muziek en tekst schilderende Salvador Dali gemaakt had kunnen worden. Zo eentje waar de vlammende verf nog nat van af druipt, surrealistische patronen achterlatend op je gehoorbeentjes. Een plaat die je langs een bonte kermis van kaleidoscopische kleuren, geluiden en schijnbaar lukraak verknipte impressies voert, daarbij uitblinkend in soms zeer gelaagd geproduceerde simpelheid. Een werkstuk ook dat het afzonderlijk noemen van nummers eigenlijk in de weg staat. Dit is tegelijkertijd de motor achter de met terugwerkende kracht groeiende reputatie van 'In The Aeroplane Over The Sea.' Het is een totaalervaring, geen plaat met liedjes. Alsof je in een vliegtuig stapt dat je over de grenzen van je eigen bewustzijn naar een holografisch universum brengt, waar Anne Frank in vele vormen en gedaantes weerspiegeld wordt. Je komt op plekken zonder ruimte en tijd, van die plekken waarvan je niet wist dat ze er waren maar waarvan je weet dat je ze uit je dromen kent. En waar je die vreemde stem, op een spiraliserende balkan melodie, maar blijft horen zingen:

'And I know they buried her body with others
Her sister and mother and 500 families
And will she remember me 50 years later
I wished I could save her in some sort of time machine
Know all your enemies
We know who our enemies are'

Schopenhauer heeft ooit gezegd dat genieën slechts één verdieping boven de waanzin wonen. Vanaf die verdieping worden soms uiterst originele platen op de wereld losgelaten. Met daarop vaak geniale, tegen gekte aanzittende muziek. Dit is zo'n plaat.

zondag 1 juli 2007

Mavis Staples - We'll Never Turn Back

Mavis Staples heeft zonder twijfel een van de meest herkenbare en aansprekende stemmen in de soul en gospelmuziek van de 20e en 21e eeuw. Als jong meisje begon ze al in 1950 met zingen in de Staple Singers, een gospelgroep die bestond uit haar vader Roebuck 'Pops' Staples, haar broer Pervis en haar zussen Cleo en Yvonne. Al snel bleek de stem van de jonge Mavis, naast het typerende stemgeluid én gitaarspel van haar vader Pops, een van de sleutels tot het succes van de Staple Singers. Er was gewoonweg nog nooit iemand geweest die gospel zo smachtend kon laten klinken. Haar gruizige, honingzoete én rauw klinkende stem was in staat om zelfs verstokte atheïsten te verleiden op hun knieën naar de kerk te kruipen om daar boete te doen. En als Mavis kreunde, dan deed sex zijn intrede in de gospel, terwijl ze tegelijkertijd geloofwaardig, doorleefd en spiritueel bleef klinken. Eind jaren '60 tekenden de Staple Singers bij Stax en maakten voor dat label een aantal geweldige soulplaten op rij. Een periode waarin naast gospel en soul het zwarte bewustzijn rond burgerrechten de belangrijkste rol speelde in hun muziek. En ook de periode dat de Staple Singers 'God's Greatest Hitmakers' werden genoemd, want die hadden ze en passant ook nog.

Halverwege de jaren '70 ging Mavis solo, maakte een aantal aardige platen en verdween tot eind jaren '80 uit beeld. Tot Prince, fan van haar stem, langskwam. Prince, met de allerbeste bedoelingen wellicht, meende Mavis indertijd te moeten opleuken met zijn 'sound'. Dat leidde tot twee hip bedoelde kruisingen tussen Prince en Mavis die het niveau muzikale nageboorte nooit helemaal ontstegen. Het was van beiden net niks. Daarna, we spreken over 1993, was het weer heel lang stil. Tot 2004, om precies te zijn. Toen kwam, in de soulrevival die al enige tijd bezig was (Solomon Burke, Bettye Lavette, Candi Staton) 'Have A Little Faith' uit. Een uitstekende plaat waarop haar roots in gospel samenvallen met haar eigen diepe geloof en spiritualiteit en verlossing. En nu ligt er dan 'We'll Never Turn Back', een plaat die, geproduceerd door niemand minder dan Ry Cooder, diep intapt op het sociale bewustzijn van Mavis.

Ry Cooder begrijpt gelukkig vele malen beter dan Prince indertijd waar het bij Mavis om draait: Mavis is een oude ziel, die het beste past in een tijdloos muzikaal decor. Het eerste nummer,' Down In Mississippi' is hiervan meteen het bewijs: donkere koortjes, een oude banjo, kale, droog klinkende drums, een vleugje Jezus en daaroverheen de gerijpte stem van Mavis zelf. Het tweede nummer 'Eyes On The Prize' opent met Cooder op gitaar: een direct vanuit zijn onderbuik spelende Cooder zoals hij nog klonk ten tijde van 'Bring The Family' van John Hiatt. En Mavis blijft, bijgestaan door een loom swingend gospelkoortje, dwars over deze hoekige blues heen kreunen, draaien, zweten en bezielen. De absolute prijspakker is het nummer 'My Own Eyes', waarin Mavis op een rijtje zet wat ze allemaal gezien heeft in haar leven, wat de prijs is die ze betaald heeft en wat er allemaal niet veranderd is, alle inspanningen ten spijt. Toch klinkt het nergens cynisch of moedeloos, integendeel. Er spreekt een groot geloof uit, gekoppeld aan een wakker bewustzijn dat zich niet opzij laat zetten door veranderende tijden en veranderende praatjes die uiteindelijk op hetzelfde blijven neerkomen. En heel terloops speelt Ry Cooder hier de ballen uit zijn broek in een opzwepend ritme dat perfect past bij de sfeer van het nummer. Dit is het echte werk; het soort werk waar hedendaagse R&B huppelkutjes niet eens van weten hoe ze daar bij in de buurt moeten komen, ook al krijgen ze er een gratis Tom Tom bij geleverd.

Liefhebbers van de wederopstanding van Bettye Lavette en Solomon Burke (beiden geproduceerd door de onvolprezen Joe Henry) doen er goed aan deze machtige cd eens te beluisteren. En mocht de geest in je neerdalen, het eind jaren '60 en eerste jaren '70 materiaal van de Staple Singers zelf is niet te versmaden.

Soul Uplifting Music, zo noemden ze dit indertijd. Wat een gelijk hadden ze.

woensdag 27 juni 2007

Paul McCartney - Memory Almost Full

Een knappe jonge vrouw klopt aan bij een goudmijn. Ze is op zoek naar werk. De voorman van de mijn vraagt of ze gebreken heeft. De vrouw vertelt hem dat ze, op een kunstbeen na, net zo gezond is als ieder ander. De voorman begint hard te lachen en zegt:' dan kun je werken in een goudmijn echt wel vergeten. Wie heeft er nu een gouddelver met één been nodig?' Waarop Paul McCartney de kamer binnenkomt en zegt: 'Ikke'.

Dit zijn de verhalen waar Paul McCartney de laatste tijd om bekend staat. Het gaat niet over muziek. Eigenlijk gaat het daar al heel lang niet meer over. Het gaat bijna altijd over Sixties Paul, Veggie Paul, Suffe Deuntjes Paul, Control Freak Paul of Sukkel Paul die, verscheurd door verdriet na de dood van zijn Linda, viel voor de charmes van een uitgeslapen Golddigger. Die hij later, in zijn rol van Mepper Paul, de kamer door scheen te slaan, al dan niet zo stoned als een aap. Het gaat eigenlijk zelden over Paul de Muzikant en Paul de Songwriter. Die is met algemeen goedvinden min of meer afgeschreven na The Beatles. En eerlijk is eerlijk, hij heeft soms ook erg zijn best gedaan om ons te laten vergeten hoe goed hij was, en hoe goed hij nog kan zijn. Toch timmert Paul op zijn laatste soloplaten (eigenlijk al vanaf 'Flaming Pie' uit 1997) weer aardig aan de weg. Zijn voorlaatste plaat, 'Chaos and Creation in the Backyard' kreeg, mede door de medewerking van de als hip geziene producer Nigel Godrich, alweer wat gunstiger kritieken. Met Memory Almost Full laat Sir Paul echter aan een heleboel hedendaagse bandjes horen hoe het moet. Door gewoon een dijk van een plaat te maken.

In 13 nummers scheurt hij door zijn eigen geschiedenis en toekomst en geeft iedereen die een beetje oplet muzikale bijles. Niet alleen omdat hij de meeste nummers alleen heeft ingespeeld, (sommige ook met zijn tourband) maar vooral omdat hij laat horen hoe bedrieglijk eenvoudige liedjes vol kunnen zitten met ingenieuze muzikale vondsten. Het openingsnummer 'Dance Tonight' is aanstekelijk, simpel tot op het bijna domme af, en daarmee dus eigenlijk koren op de molen van oppervlakkige luisteraars. Meteen daarna geeft Paul vol gas met briljant klinkende pop zoals 'Ever Present Past', 'Mr. Bellamy' en 'Vintage Clothes'. Ook gespt hij zijn oude vleugels nog eens aan om met 'Only Mama Knows' zonder waarschuwing vooraf dwars door de geluidsbarrière te knallen. In 'That Was Me' en 'Nod Your Head' horen we de rocker Paul McCartney, die zijn longen eruit schreeuwt alsof hij nog altijd het Reeperbahnkabaal van dronken zeelui en goedkope hoeren moet overstemmen. In het magistraal geproduceerde 'House Of Wax' komt een ongelooflijke gitaarsolo langs, en met 'The End of the End' horen we zowaar een oude man, die vooruitkijkt naar zijn dichterbij komende dood en daar op eigen wijze een waardig antwoord voor probeert te vinden.

Die Heather Mills had het wel goed gezien. Paul McCartney is een goudmijn. Het soort goudmijn waar, diep weg onder de aarde, altijd nog wel een klomp goud te vinden is, zelfs als iedereen denkt dat er niks meer te halen valt. En met Memory Almost Full heeft de inmiddels 64 jarige Paul McCartney opnieuw een hele rijke ader te pakken.

zondag 24 juni 2007

Johnny Cash - American V - A Hundred Highways

Eerste shot: De avond valt en de zon rolt zich vermoeid op achter de einder. We kijken naar het verweerde gezicht van een oude, de dagen meer dan zat zijnde desperado. De hoed diep over de samengeknepen ogen getrokken, de jas fladderend, de schouders en colts laaghangend. Het beeld is duidelijk. Deze man heeft veel gezien. Teveel wellicht. De lijnen in zijn gezicht zijn loopgraven waaruit de geur van ziekte, dood en ellende walmt. In zijn blik is de aankomende dood zichtbaar die hij al vaker achter zich heeft weten te laten maar die hem nu langaam maar zeker definitief inhaalt. De camera zoomt in één beweging traag uit. We zien dat de man staat te wachten. Lijdzaam, berustend, bijna verslagen. Hij staat op een verveloos perron, naast een klaarstaande, stomende trein.

Tweede shot. Een craneshot. We zien een oud en verveloos treinstation in een kaal, desolaat landschap. Een paar oude scheefhangende houten huisjes leunen geluidloos huilend tegen de schurende wind. In de verte komt een paard met wagen aanratelen. De camera zoomt in. We zien de contouren van een lange kist op de wagen. De muziek zet in. Evening Train. We zien hoe de outlaw naar de wagen toeloopt en samen met de wagenmenner, een sjofele doodgraver, de kist naar de trein zeult. Iedere stap richting trein ziet eruit als een kogelinslag die de desperado vol in de rug raakt. Een gebroken man, die de liefde van zijn leven op de trein naar huis zet.

Derde shot, pan en zoom: we zien de neus van de trein. De camera zoomt verder in. Op het rood metalen plaatje met de witte cijfers. Nummer 309. En terwijl het beeld even bevriest horen we een hese stem die een hakkelende blues inzet. Een blues die het merg uit je botten zuigt. Een blues die het leven en de dood samenbrengt in een hypnotiserend ritme. De camera zoomt uit , zwenkt weg en we zien opnieuw de kist. Vastgesjord op een platte goederenwagon. Een geknakte roos, vastgezet op de eenvoudige houten deksel, beweegt lichtjes in de wind. De desperado zit inmiddels op zijn zwarte paard. De trein zet zich in beweging. Dikke wolken rook en stoom ontrekken de desperado aan het blikveld. De camera zoomt verder uit. De trein slingert zich een weg door het uitgebeten, vergevingsloze landschap. De outlaw rijdt ook weg, achter de trein aan. Hij rijdt naar huis, naar de begrafenis, maar hij rijdt ook zijn naderende en al aanvaarde dood tegemoet. En wij als kijker weten dat. Verdere uitleg is overbodig.

En terwijl de trein én de desperado langzaam stippen worden op het grote witte doek, klinkt daar nog altijd die stem. Die oud testamentische stem. Die stem die profetisch, waarschuwend, troostend en verzoenend weet te klinken. Een stem die alle tegenstellingen geloofwaardig weet te verenigen.

"You can run on for a long time
Run on for a long time
Run on for a long time
Sooner or later God'll cut you down
Sooner or later God'll cut you down"

Dwars door de aftiteling heen blijft dat geluid klinken. Het onvoorstelbare geluid van een man die de dood in de ogen kijkt, en die in iedereen die naar hem luistert iets van die blik achterlaat.

Of je dat nou leuk vindt of niet.

zondag 17 juni 2007

White Noise - An Electric Storm

Als in een geluidsspectrum alle frequenties even sterk aanwezig zijn dan spreekt men van witte ruis. Het is het geluid dat je hoort als een televisie geen signaal ontvangt. Sommige mensen geloven dat witte ruis het geluid is dat de duivel maakt als die naar je sist; anderen geloven dat witte ruis verborgen codes van aliens of overledenen bevat en spenderen hun vrije tijd aan het ontcijferen hiervan. Je moet er maar zin in hebben, want witte ruis werd mogelijk ook gebruikt bij het verhoren alsmede het uit de slaap houden van gedetineerden in Irak door Nederlandse militairen. Wat ook ongelooflijk goed denkbaar is met de muziek van White Noise. Deze voornamelijk door ene David Vorhaus bedachte band kwakte in 1968 7 nummers op het vinyl waar niemand van terug had. Alleen al het laatste nummer, 'the Black Mass: an Electric Storm in Hell, waarin galmende monniken, donderende drums en ijle doodskreten de titel van het nummer met verve eer aandoen staat garant voor een erg snelle bekentenis. Geen gemakkelijk plaatje dus, en mede daardoor veroordeeld tot de meer obscure hoeken van het muzikale universum. En dat is jammer, want er valt veel te ontdekken op deze in geluid gegoten David Lynch film, waarin werkelijkheden zich evensnel afwisselen als dromen in de nacht.

Nergens is dit meer hoorbaar dan in het meer dan 11 minuten durende 'the Visitations'. Sex, Dood (een hoorbaar auto-ongeluk) en het hiernamaals worden in een zenuwaanvretende electronische trip vermengt met de diepe snikken van een jonge vrouw. Daar dwars overheen vertelt een in het theater geschoolde stem op uiterst macabere toon een verhaal waar geen touw aan vast te knopen valt, maar dat dondert niet. Het werkt. En hoe. Ik weet nog goed hoe mijn nekharen overeind kwamen toen ik het nummer voor de eerste keer hoorde. En nog steeds heeft het nummer, en de plaat, een onder je huid kruipend, bizar en soms angstaanjagend effect. De overige nummers hebben allemaal een volstrekt eigen sfeer; soms jazzy, soms ronduit poppy, dan weer totaal van alles en iedereen losrakend. Het zijn experimentele, vol bizarre stemmen volzittende soundscapes die, niet zonder melodie, door je hoofd gaan dwalen om in vergeten plekken onbekend broedsel te leggen. Je zou kunnen zeggen dat deze muziek zijn tijd ver vooruit was, ware het niet dat the White Noise eigenlijk buiten alle tijd en dimensies valt. En daardoor horen we wat ook al die codeontcijferaars willen horen: een onbekend signaal, dat ons iets wezenlijks te zeggen heeft.

zondag 10 juni 2007

16 Horsepower - Secret South

Voor degenen onder jullie die de briljante HBO serie Deadwood hebben gezien, een serie die het Wilde Westen in al zijn onopgemaakte keiharde glorie weergaf, even deze reminder. In seizoen 1 kwam een dominee voor (reverend H.W. Smith) die, langzaam maar zeker, jammerlijk ten onder ging aan een wat mysterieus blijvende hersenziekte. Hij deed dit al schuimbekkend en raaskallend, maar bleef hierbij wel altijd de Heilige Schrift citeren. Nu zit de referentie naar Deadwood om meerdere redenen in deze recensie, maar de belangrijkste is wel deze: gekte en het Heilige Woord, het heeft altijd al een heel diepe relatie met elkaar gehad.

Welnu, Dave Eugene Edwards valt te zien als de vleesgeworden reïncarnatie van deze reverend Smith. Alleen dan meer eigentijds en stukken meer gefocused. Maar ook hij gaat tekeer tegen het Deadwood van zijn tijd, niets en niemand sparend, daarbij overigens ook zichzelf flink kastijdend. Om dan vanuit die pijn en angst ons (al voorverhitte) zondaars te waarschuwen voor de toorn des Heren. Een verzengende toorn waaraan niet te ontsnappen valt, tenzij de knieën tot bloedens toe stuk worden gebeden op een harde, kale, houten vloer met splinters. En dan nog is het maar deemoedig afwachten, volgens Dave Eugene, of je gespaard zult blijven.

Zo staan de zaken ervoor in de wereld van 16 Horsepower, een band die uiteindelijk wel af moest fikken op de tomeloze, gedreven, compromisloze sound die ze voortbracht, en die (live) perfect werd belichaamd door Dave Eugene Edwards zelf. Een sound die zijn visie in volle glorie droeg, maar ook een sound die klonk alsof die speciaal in de Hel was gebrouwen om zondaars te bereiken die voor dát geluid nog wel gevoelig waren. En op deze plaat bereiken ze als zodanig dan ook hun hoogtepunt. Zowel in het poëtisch, archaïsch taalgebruik als in de geniaal gekozen covers en het briljante eigen materiaal. Secret South (perfecte titel) is de perfecte soundtrack van het Wilde Westen. Niet het heroïsche Techni-color Wilde Westen van film en TV, maar de altijd wat in een hoek gemoffelde schaduw ervan. En die schaduw komt uit dat duivelse oord van gokkers, hoeren, hoerenlopers en moordenaars. Die woonplaats van zuipers, lafaards, religieuze fanatici, KKKers en over lijken gaande opportunisten. Ik heb het hier over een uit bloed, sperma en stront opgetrokken oord; dat bizar bevruchte ei waar het huidige Amerika al slijmsporend en brakend uit voortgekropen is. Perfect weergegeven in Deadwood. Waarin het geboden spektakel weer goede diensten doet als metafoor voor ons eigen moderne Sodom en Gomorra, de doorgedraaide consumptiemaatschappij met als directeur en enig directielid Satan zelf. Althans, volgens de Horsepower dan. Dáár gaan ze dan ook in hun kruistocht zo tegen tekeer. En dáár zijn ze dus ook zelf bekend mee, want je moet het kunnen waarnemen om het te kunnen beschrijven. Zonder de Duivel geen kerk, tenslotte. Hij is er min of meer de werkgever van.

Net als een echte preek heeft deze plaat zijn rustige momenten en zijn dondermomenten. Maar ook in de rustige momenten is de dreiging nooit ver weg, en kunnen de vlammen van de Hel ieder moment ondraaglijk aan je benen gaan lekken. Gelukkig is er hier en daar ook iets van verlossing te horen. 'Nobody C'ept You' valt als liefdeslied op te vatten (alhoewel ik denk dat het bij D.E.E. over de al veel bejubelde Heer gaat) en 'Wayfaring Stranger' is een classic waar menigeen na deze magistrale cover zijn tanden op zal stuk bijten.

Helaas is de Kerk van 16 Horsepower vooralsnog gesloten. Via Woven Hand wordt het evangelie van D.E.E. verder verspreid. Zo intens samenhangend als op deze plaat (ook live) is het echter niet meer geweest. Dus als de hemel somber afkleurt, en je ziel druipend van de veren en de pek in je lichaam hangt, dan kan dit de boetedoenende weg zijn om te gaan. 42 minuten Secret South en je kunt geheid gelouterd verder. Als een oprecht bekeerde.

zondag 3 juni 2007

Gene Clark - Flying High

Eens, al weer wat langer geleden, zat er een bijzonder begaafde vogel in een nest met andere vogels. En geloof me, deze vogel kon hele bijzondere melodietjes verzinnen en écht prachtig zingen. Zo mooi, dat de sterren in de hemel naar beneden bogen om beter te kunnen luisteren, onze vogel daarmee in een onaards zilveren licht zettend.
De andere vogels werden daar na een tijdje behoorlijk jaloers op en kieperden hem, uiteraard toen er niemand goed zat op te letten, het nest uit. Als reden gaven ze, ironisch genoeg, vliegangst op. Je moet maar durven. Affijn. Op de grond aangekomen besloot onze vogel gewoon door te gaan met hetgeen hij zo goed kon: goddelijke melodietjes bedenken én zingen. Maar op de bodem van het bos wordt je niet zo snel gehoord, zeker niet met een hoop andere veelkleurige schreeuwvogels om je heen. Het werd gedoe, en niet zo'n beetje ook, om gehoord te worden.

Pas toen de Grote Oppervogel Dylan zei dat deze vogel de beste en mooiste liedjes schreef - liedjes zoals Spanish Guitar, kortom, liedjes die hij zelf wel wilde schrijven - begon iedereen weer wat op te letten. Maar niet voor lang, want het waren de jaren 60 en iedereen rookte beukennootjes en at kastanjecake en was daardoor helemaal far out groovy, weet je wel. Feitelijk gezien een periode van lelijk egocentrisme, goed verpakt in hippe bloemenhemden, rookwolken en naïef geleuter. De verbeelding aan de macht, dat soort kreten. Tè gek man, can you digg it? Die tijd dus. Ze hadden daar overigens wel erg goede muziek bij, dat moet gezegd.

Onze vogel werd daar allemaal wat bedroefd van en besloot ook beukenootjes te gaan roken en niet meer mee te doen met de ideeen die allerlei andere vogels over zijn sound hadden. Af en toe vloog hij als een Zilveren Raaf een studio binnen, floot en zong wat en ging daarna weer zijn eigen weg. Niemand interesseerde het eigenlijk echt wat, het verkocht voor geen meter en om een lang verhaal kort te maken, uiteindelijk stierf onze vogel aan een gebroken hart. De oorspronkelijke vogels die hem uit het nest hadden geflikkerd krastten wat stichtelijke woorden en dat was het dan. Niemand keek ervan op. Niemand leek erom te rouwen. Het was alsof de Zilveren Raaf er nooit geweest was.

Nu heeft iedereen de kans om op deze unieke dubbelaar te horen waarom de andere vogels zo jaloers waren en hoe gelijk de Grote Vogel had. Mooi chronologisch vastgelegd, edelstenen verzamelend uit zowat iedere periode en ieder samenwerkingsverband. Het is soms van een niet vast te pakken breekbaarheid, gebracht met een licht weemoedige, onaards goudkleurige stem. Niet helemaal van deze wereld, deze dromerige zanger, maar wel voldoende geaard om een emotionele knock-out uit te kunnen delen in een aantal van zijn nummers. Maar ook in staat om te ontroeren, je op te lichten en zacht weer los te laten.

Doe jezelf nou eens een lol. Luister er naar. Luister nog eens, en luister opnieuw. Flikker dan al je zielloze dance-platen weg, ga subiet op weg naar de betere platendealer en schaf zijn meesterwerken 'White Light' en 'No Other' aan. Het is een van de beste muzikale shots die je kunt zetten. Zonder kans op een overdosis, maar wel op een natuurlijke high.

Ik geloof dat ze dat vroeger geluk noemden.

zondag 27 mei 2007

The Dukes Of Stratosphear - Chips From The Chocolate Fireball

Je komt thuis. Drukke dag gehad. Je zet, zoals zo vaak, een cdtje op wat je net hebt gekocht, omdat je er onlangs ergens iets over gelezen hebt. Het eerste nummer golft langs je heen. 25 O'Clock. Vreemde titel, intrigerend nummer. Veel tijd om er over na te denken heb je echter niet, want opeens ben je in een park waar in een oud veelkleurig theehuis een bandje speelt. Het blijken the Dukes Of Stratosphear te zijn. Neergedaald vanuit de kosmos betoveren ze het park met hun Neo- psychedelische waaier van klanken. Far out man!! Zoiets heb je nog nooit gehoord. Met schaamteloos gemak toveren ze de een na de andere muzikale toverbal te voorschijn. Tot leven gekomen Tarotkaarten dansen zingend door het gras, en gouden zeepbellen spatten boven je hoofd met gelukzalige geluidjes uit elkaar. Iets verderop zie je een wit konijn rode pillen uitdelen aan iedereen die er een wil hebben. Je holt erheen om er ook een te krijgen. Je steekt je hand uit en...

Ho even. Neo psychedelische klanken? Wit konijn en rode pillen? Rimpelt er hier iets in de werkelijkheid? Is this really happening? Je kijkt verward om. The Dukes spelen overstoorbaar verder. Collideascope. De lucht wordt groen. What in the world??.. je begint te vallen en te vallen en...

Dan is de muziek opeens afgelopen. Je kijkt om je heen. Je eigen kamer. Niets aan de hand. Je blik valt op een paars hoesje met oranje letters. Het schiet je weer te binnen. Die rare CD waarover je gelezen had en die je voor een prikkie meenam bij je lokale platenboer. Mmmm. Vreemde trip. Maar wel verleidelijk lekker. Je besluit het plaatje nog eens te draaien. Bij het hoesje ligt een verleidelijk rood snoepje. Hoe is dat er nou gekomen? Je steekt het zonder verder nadenken in je mond en start de cd opnieuw. De klanken van 25 O'Clock kleuren je kamer. Wauw, wat een trip, wat een trip. Echt waar, minstens net zo lekker als XTC.

Try it. Het kan je beleefde werkelijkheid totaal veranderen.

zondag 20 mei 2007

Rufus Wainwright - Release The Stars

Mama'?
'Ja jochie'?
'Is dat een engel die ik hoor'?
'Nee jochie, dat is Rufus'.
'Rufus'?
'Ja, Rufus. Wel een engelenstem, maar hij is een mens'.
'Hij zingt zo mooi mama. Is hij verdrietig'?
'Nee, dat denk ik niet. Maar misschien vertolkt hij wel het verdriet van de wereld. En alle vreugde. Dat zou zomaar kunnen'.
'Het is net of hij mij kent, mama. Kan dat'?
'Wie weet kent Rufus ons allemaal wel. Is dat geen fijne gedachte? Dat Rufus ons allemaal een beetje kent'?
'Ja, dat vind ik fijn. Mama'?
'Ja jochie'?
'Waarom huil jij, mama"?
'Ik huil niet, schat. Ik ben gelukkig'.
Ómdat Rufus voor ons zingt'?
'Ja, omdat Rufus voor ons zingt. Dat tilt mama een beetje op. Begrijp jij dat'?
'Is dat dat je kunt huilen en lachen tegelijkertijd en dan een beetje zweeft in je hoofd'?
'Dat is het precies. Wat knap van jou'!
'Mama'?
'Ja knul'?
Ik hou van Rufus, en jij'?
'Ík ook jochie, ik ook'.
'Net als van pappie'?
'Nee, niet zoals van pappie'.
'Gelukkig maar. Want pappie ging zomaar weg. Doet Rufus dat ook'?
'Nee schat. Rufus zal er altijd zijn, als jij dat wilt'.
'Net als een beschermengel. Dan is hij toch een soort van engel, hè mama?'
'Precies. Rufus is toch een soort van engel'.

Voor D.

zondag 13 mei 2007

Daniel Lanois - Acadie

Gek genoeg zijn er niet veel mensen die Daniel Lanois kennen. Toch niet een van de minste producers (o.a. U2, Peter Gabriel, Neville Brothers, Emmylou Harris, Willie Nelson, Robbie Robertson en niet te vergeten Bob Dylan) met een uniek geluid; een geluid dat zowel op zijn producties als eigen platen terug te horen valt. Donker, dreigend, atmosferisch, filmisch en gelaagd en dat allemaal zo te horen in een vuurvaste echoput opgenomen.

Acadie (land van overvloed) is zijn eerste eigen plaat. Ik sloeg er indertijd (1989) stijl van achterover. Deze plaat presenteert een verzameling etherische melodieën, gezongen met een donkerhees wenkende stem en delicaat voorzien van een in engels / frans gedrenkte folk en gospelsaus. Ieder nummer heeft zijn eigen unieke sfeer, maar vormt tegelijkertijd de plaat mee tot één sterk bezielend geheel. De engelenstem van Aaron Neville zweeft hier en daar over de muzikale wateren, en de rimtesectie van U2 voorziet een aantal nummers van een subtiel hechtende ondergrond. Veel gebruik van synthesizer (o.a. Brian Eno, met wie Lanois ooit een duoplaat opnam en met wie hij U2 succesvol produceerde) maar ook veel natuurlijke instrumenten. Het zit elkaar totaal niet in de weg. Sfeer is hier het woord, dames en heren. Een al sluipend onder je huid kruipende sfeer. En waar gaat die sfeer nu helemaal over? Over Acadie. Om te begrijpen waar dat Acadie nu over gaat, maken we even een verantwoord historisch uitstapje, dat overigens ook in muzikaal opzicht interessant is.

Acadie (of Acadïe) is een historisch gebied in het noordoosten van Amerika, dat beheerd werd door Frankrijk. De Fransen namen het land indertijd over van de Abenaki indianen. Toen in 1755 de Franse en Indiaanse oorlog uitbrak, brandden de Britten de huizen af van Acadiërs die nog niet trouw hadden gezworen aan de Britse koning. Diegenen die daarna nog weigerden werden verbannen. Veel verbannen Acadiërs kwamen uiteindelijk terecht in Louisiana, dat toen nog onder Frans bestuur stond. Ze vormden de kern van de Franstalige bewoners van Louisiana, die later Cajuns worden genoemd. De naam "Cajun" is een verbastering van het het Engelse woord voor Acadiër, "Acadian", en wordt zowel door Engels- als Franstaligen gebruikt. Niet voor niets zijn cajun invloeden dus goed terug te horen op deze plaat. De nummers op deze plaat hebben dus hun roots in dit gebied.

Acadie gaat echter ook nog over iets anders. In spiritueel opzicht symboliseert Acadie 'Het Beloofde Land' waar de arme mensen van Louisiana naar verlangden als het leven niet meebewoog. Het thema van de plaat is dus niet voor niets pijn, hoop, genade en verlossing. Nergens wordt dat beter uitgedrukt als in het nummer 'The Maker' (een uiterst geloofwaardig nummer over de relatie met de Schepper met een van de best groovende baspartijen ooit) en in de afsluiter Amazing Grace, die hier een zodanig prachtig onaards klinkende behandeling krijgt dat een heleboel andere bestaande versies, en dat zijn er nogal wat, volslagen worden uitgegumd. En dat wil wat zeggen.

Acadie raakt dus aan archetypische verlangens die we allemaal kunnen herkennen. Het verlangen naar een betere wereld, tijdens het leven maar ook na de dood. Het ervaren van pijn en de hoop op verlossing van diezelfde pijn. Acadie biedt troost. Aan de gelovigen én de ongelovigen. Aan de naïevelingen en de cynici. Acadie is een Soulplaat, zonder dat hij swingend en wel in dat genre valt. Een plaat met grote thema's, voor de grote momenten in het leven, en dat zonder pretentieus te zijn.

Kunst op een zilveren schijfje. Veel meer dan alleen een aantal liedjes. Geen serieuze platenkast zou zonder mogen.

zondag 6 mei 2007

Gentle Waves - Swansong For You

Feeën bestaan. Echt waar. Soms tonen ze zich weer even aan ons gewone stervelingen. Zoals Isobel dat doet, op deze plaat onder de naam 'the Gentle Waves.' Isobel is een klein, ietwat dikkig feetje uit de magische wereld van bosfaunen, eenhoorns en andere mythische wezens. Ze zingt graag liedjes die geuren naar een zonnige voorjaarsochtend in een vochtige bloemenwei. Een wei waar alles goed is, waar de tijd niet bestaat en waar de natuur van kleurrijk snoeppapier gemaakt lijkt te zijn. Er klatert limonadewater, er klinken tinkelende belletjes en in de verte kun je de maffe bosgod Pan met zijn sappige maagden zien dansen op de vederlichte liedjes van de lieve fee; liedjes, die net buiten je bereik als goudglanzende zeepbellen door de lucht zweven. Alles is lichtelijk vreemd maar door en door goed in het feeënland van Isobel. Laat dus je reserves los, trek je kleren uit en dans met haar in het knipogende zonlicht door de je toelachende bloemen en het warme zachte gras. Dans en vergeet. Vergeet je verleden, vergeet hoe je heet. Vergeet de hemel, vergeet de hel. Onthou alleen deze dans en die stem. De elvendans en honingstem van Campbell, voornaam Isobel.

p.s.

Er zijn ook mensen die in kabouters geloven. Voor degenen onder jullie dat doen is er sinds kort op muzikaal gebied ook weer nieuwe hoop. En dan heb ik het niet over Plop. Ik heb het over van VanVelzen, een ruig uitgevallen minimens die zijn piano al staand (anders kan hij niet bij de toetsen) van katoen geeft. Dat gaat zo ongeveer als volgt:

'Well, its one for the money,
Two for the show,
Three to get ready,
Now go, cat, go.

But don't you step on me with your blue suedeshoes.
You can do anything but don't step on me with your blue suede shoes'.

U ziet het, u kunt met mij werkelijk alle kanten op.


Copyright

Alle content © Moving Sounds - Savant 2007