zondag 12 augustus 2007

Grandaddy - The Sophtware Slump

'Adrift again 2000 man.' Op de tonen van iets wat op een klavecimbel lijkt komt deze zin als eerste op je af. Het geluid ijl, de stem een beetje onaards, de klavecimbel haperend en dan wegstervend na iets meer dan een minuut. Waarop een computerachtige stem aftelt en je opeens in een prachtig, accoustisch gedragen maar met vreemde geluidjes opgesierd nummer terechtkomt. 'How is it goin' 2000 man', vraagt dezelfde stem zich af, terwijl het nummer zo rond de 3 minuten abrupt tot een vreemde stilstand komt, de piano in de war lijkt te zijn en de zaak opeens enorm vertraagd. Je hoort slechts een piano, synthesizer komt er bij, bliepgeluidjes makend en een russisch aandoend achtergrondkoor verzorgend, en dan weer die stem: 'are you givin' in, 2000 man'? Als een mantra wordt de tekst herhaald terwijl het nummer spiraliseert naar een hypnotiserend opgebouwd einde wat uren door lijkt te gaan. Het geheel duurt echter een kleine 9 minuten, verveelt werkelijk geen moment en luistert naar de welluidende naam 'He's Simple, He's Dumb, He's The Pilot'. En dan heb je het eerste nummer pas te pakken. Welkom in de wereld van Grandaddy, een amerikaanse underground band die (helaas) al weer ter ziele is, maar die voor het hemelen een aantal prachtige cd's achterliet.

De muziek van Grandaddy kent rock en folkinvloeden, vermengd met minimalistische, psychedelische spacepop, gezongen met een aan Neil Young schatplichtige stem. In hun werk focussen ze zich op de toenemende vervreemding van het individu in een steeds technocratischer wordende wereld. Maar ook natuur, liefdesverdriet, milieu en robots duiken als thema's op. In het nummer, 'Jed the Humanoid' wordt op een ijl, droevig, klassiek aandoend melodietje het verhaal verteld van JedE-3: een robot die in de keuken gemaakt werd van 'wat er maar in de buurt was'. Iedereen was blij met Jed. Hij kon lopen, gedachten formuleren, gedichten schrijven, zingen en problemen oplossen. Na een tijdje ging het nieuwe er echter wel af en werd Jed verwaarloosd. Dit trok Jed niet zo best. Op een goede dag greep Jed een fles sterke drank, goot deze naar binnen en veroorzaakte hiermee een helaas dodelijke kortsluiting bij zichzelf. Ik bedoel maar, het geeft een idee van de wereld van Grandaddy. Een wereld die verwantschap vertoont met het werk van o.a. Sparklehorse, Mercury Rev en The Flaming Lips. Ook bands die zich via een uniek eigen geluid een plaats hebben veroverd in wat Neo-Psychedelica is gaan heten.

Er zit iets dromerigs in de muziek van Grandaddy. Iets naïefs wellicht. Het is muziek voor op de Ipod als je in de natuur bent. Hun muziek, hoewel soms ook stevig, beukt niet, duwt niet, dwingt je tot niets, wil niets van je. De klanken spoelen om je heen als golven in de branding. Een droevige soundtrack voor een vreemde science-fiction film die je nog nooit gezien hebt, maar die je op de een of andere wijze toch kent. Als je op zoek bent naar iets verrassends dat vervreemdend klinkt, onaards soms, maar dat toch weet te verbinden, dan ben je op deze cd aan het juiste adres.

zondag 5 augustus 2007

Gorki - Eindelijk Vakantie

De kwaliteit van de Nederlandstalige songtekst laat vaak behoorlijk te wensen over. Op enkele gunstige uitzonderingen na (Spinvis, Huub van der Lubbe, Bram Vermeulen en natuurlijk Lennaert Nijgh) wordt er gesinterklaasrijmd dat het een lieve lust is. Op zich niet erg, maar op het moment dat het als Grote Kunst wordt verkocht krijg ik altijd spontaan een balverzakking van al die opgezwollen pretenties. Gelukkig hebben vele anderen daar geen last van. Die deinen massaal, met aansteker en al, cultureel verantwoord mee op de loodzware candlelightteksten van o.a. Bløf en Borsato, die Grote Woorden, Krachtige Emoties en Diepe Symboliek als slecht drogende behangerslijm over de onwetende luisteraar uitsmeren. Plakkende muziek, ik kan er geen beter woord voor bedenken. En ik zeg met opzet onwetend, want echt goede dingen krijgen (ook op de radio) nauwelijks een kans bij deze zogenaamde groep cultuurkenners. Zoals het spreekwoord al zegt: onbekend maakt onbemind. Wat goed van toepassing is op Luc de Vos van de Belgische band Gorki: in eigen land een absolute held, in ons land nagenoeg onbekend.

Luc de Vos trapte in 1991 met zijn band Gorky (Russisch voor 'de bittere', de band werd een paar jaar later omgedoopt tot Gorki) de Belgische muzikale deuren wijd open met nummers als 'Anja', 'Lieve Kleine Piranha' en 'Soms Vraagt Een Mens Zich Af'. Het B-kantje van dat laatste nummer, Mia, is door de luisteraars van Studio Brussel al drie keer tot Plaat van de Eeuw uitgeroepen. Het is verkozen tot beste Belgische nummer allertijden en stond daar een paar jaar geleden met kerst op 1 in de tijdloze 150. Nu weet ik wel dat dit soort verkiezingen niet alles zeggen, en dat Luc de Vos zelf Mia een nummer vindt dat 'nergens over gaat', maar toch. Blijkbaar missen we iets. Het is mij al geruime tijd een volslagen raadsel waarom Gorki in ons land niet tot de allergrootsten behoort. Aan de muziek kan het niet liggen: stevige, melodieuze rock met een scherp en rafelig randje, op latere platen afgewisseld met ingetogener en dromerig werk. De stem van de Vos schijnt ook niet iedereen over te streep te trekken. Toegegeven, het is geen 'mooie' zanger. Maar wat hij doet past wel uitstekend bij de teksten en de muziek. En de teksten zijn van eenzame klasse. Toch zet Gorki bij ons nog geen meter cd's weg, en treedt dientengevolge amper op in ons land. Het droevige feit is dit: in een land dat voornamelijk geilt op Xander de Buisonjé, Syb van der Ploeg, Pascal Jacobs en Marco Borsato (toch ook vertegenwoordigers van 'de betere nederlandstalige popmuziek') is blijkbaar geen ruimte voor Gorki.
In interviews heeft Luc De Vos wel eens gezegd dat het zou kunnen zijn dat zijn teksten te 'diep' zijn voor het Nederlandse Volk. Nederlanders horen volgens hem liever platte teksten als 'Ik zit op een kruk en ik voel me alleen' dan zijn teksten. Wat het ook mag zijn, we snappen het hier niet of, erger nog, we willen het niet snappen. Welke van de twee het ook is (of een combinatie), de optelsom blijft dezelfde: we zijn stom. Stom, dat we zoiets moois als Gorki aan ons voorbij laten gaan.

Eindelijk Vakantie (geweldige titel) is een plaat van alweer een aantal jaren terug. De meest recente heet Homo Erectus, ook een goede plaat, maar Eindelijk Vakantie was voor mij de eerste echte kennismaking met het werk van Luc de Vos. Hier komt de essentie van Gorki al perfect samen: surrealistisch aandoende teksten die handelen over het leven van alledag. Gezet op muziek die experimenteert met electronica en geprogrammeerde beats, zonder een organisch groepsgeluid uit het oog te verliezen. Kenmerkend voor veel teksten is de humor die,
bij nadere beluistering, over kan gaan in zwaarmoedig aandoende observaties, die ook weer heel kinderlijk kunnen aandoen. Want dat kenmerkt Luc de Vos misschien nog wel het meest: hij is een jongetje gebleven dat zich, met alle naïviteit die daar bij hoort, blijft verwonderen over wat hij ziet en meemaakt. Een jongetje in een groot, vreemd aanvoelend lichaam dat liever geen duidelijke keuzes wil maken ('red mijn ziel vooral, maar ook mijn mooie lichaam'). Een groot kind dat niets liever wil dan geliefd te worden door iedereen, maar dan zonder zijn positie van buitenstaander op te geven. Een jongetje dat vlucht in zijn eigen, rijke, veelkleurige droomwereld ('in mijn bed doe ik niemand kwaad') als de harde grauwe werkelijkheid té dichtbij komt. Waar hij vervolgens wel naar uithaalt, getuige zijn sneer naar het oprukkend rechts gedachtegoed in Belgïe ('ik schop die bende een geweten, tot ze er bont en blauw van zien'). Tegelijkertijd ademen zijn teksten voldoende ruimte om er op de openvallende stippellijntjes allerlei eigen betekenissen aan toe te kunnen voegen, zonder dat het afbreuk doet aan het geheel. Luc de Vos weet beelden in je op te roepen waarvan je niet wist dat ze er waren; beelden die ontroeren, die de fantasie prikkelen en die je tot actief luisteren aanzetten. Je kijkt als het ware naar mini-schilderijtjes, gemaakt door een getalenteerd wonderkind. Het cd boekje is wat dat betreft illustratief: een ouderwets aandoende kindertekening, met nummers in de vakjes die je vervolgens zelf in mag kleuren. Zo heeft iedereen zijn eigen Gorki. Wat volgens mij ook precies de bedoeling is. In Belgïe is dat ruimschoots gelukt. Nu wij nog.


zondag 29 juli 2007

Betty Davis - Betty Davis / They Say I'm Different

Onlangs verschenen er bij 'Light in the Attic Records' twee prachtig verzorgde reïssues uit de beginjaren zeventig met daarop werk, gemaakt door ene Betty Davis. Betty who, zult u vragen? Precies. Er is zowat geen hond meer die weet wie zij was, en dat mag rustig een schandaal genoemd worden. Want wat deze dame op deze twee dampend hete cd's laat horen is in de vrouwelijke popmuziek nauwelijks geëvenaard, laat staan overtroffen. Betty Davis, geboren als Betty Mabry, maar Davis geworden na een tumultueus huwelijk met Miles Davis van zegge en schrijven één jaar (Miles zei later over haar dat ze wild en ontembaar was, zei zij dat hij haar sloeg) was voorafgaand aan haar muzikale carrière fotomodel. Ze ontmoette Miles in 1968 en beïnvloedde hem hevig door hem kennis te laten maken met o.a. het werk van Jimi Hendrix en Sly Stone. De befaamde plaat Bitches Brew (de titel volgens ingewijden verwijzend naar Betty) is daar een rechtstreeks gevolg van. Na haar huwelijk week Betty uit naar Londen om haar professie als fotomodel opnieuw op te pakken. In de tussentijd schreef ze songs, en bij haar terugkeer in de Verenigde Staten dook ze een studio in om haar debuut op te nemen. Ze organiseerde de halve top van de westcoast (The Pointer Sisters, leden van Sly and The Family Stone, van Santana en van Tower of Power) om haar een handje te helpen en het hemel en aarde verschroeiende resultaat verscheen in 1973 onder de naam 'Betty Davis'. Een naam waarachter een artieste schuilging, die haar tijd vér vooruit was.

Hoe ver, dat bleek al snel. De plaat verkocht namelijk niet zo goed, net zo min als de twee ('They Say I'm Different' uit 1974 en 'Nasty Gal' uit 1975) die ze na haar debuut nog uitbracht. Twee veelzeggende titels, die min of meer al iets weggeven over het waarom van de tegenvallende verkopen. Geloof me als ik zeg dat het niets zegt over de kwaliteit van de muziek. Allesbehalve dat. Het zegt alles over de diepgewortelde angst en hypocrisie van Amerikanen waar het sex betreft. Want dat is waar het bij Betty om draait. Hete, kronkelend geile, onversneden onderbuiksex. Voorzien van soms lome, dan weer snoeihard swingende funkritmes waar het zweet vanaf druipt. En Betty zingt niet zomaar, nee, ze schreeuwt, krijst, snauwt en verleidt er op los. Tekstueel én muzikaal. Betty wil graag én veel nemen én genomen worden en iedere vetfunkende seconde die ze op haar debuut tot haar beschikking heeft zet ze daarvoor in. Dit was natuurlijk veel te confronterend voor die Amerikanen. Nummers als 'Game Is My Middle Name', 'If I'm in Luck I Might Get Picked Up', 'Ooh Yeah' en 'Anti Love Song' werden geboycot door veel radiostations; niet alleen vanwege de openlijke sexuele belijdenis, maar ook vanwege een uit de oerkracht afkomstig, onafhankelijk en zelfbewust vrouwenperspectief dat Betty innam. Alle aangeleerde onderdanigheid ging vanaf de eerste seconden meteen 3 hoog het raam uit, om nooit meer binnengelaten te worden. Dit alles gleed vooral rechtse geloofsgroeperingen (ja, toen ook al) de verkeerde strot in; die probeerden dan ook haar plaatverkoop en beruchte, controversïele live shows te boycotten. Met behoorlijk succes, want verder dan 3 platen en een cultstatus is Betty nooit gekomen. Na haar derde plaat trok ze zich terug uit de muziekwereld en werd het stil rond haar. Zelfs nu, nu ze vanwege de reïssues opnieuw in de belangstelling staat, wil ze niet meewerken aan de promotie ervan. Jammer misschien, maar het is niet anders.

Haar muzikale testament liegt er echter niet om. Het grootste gedeelte ervan is gelukkig weer gewoon beschikbaar. Zoals al gezegd, in prachtig verzorgde reïssues, met veel achtergrondinformatie en foto's die een uitstekend beeld geven van Betty. Een wild funkende boskat waarvan Santana zei dat ze de eerste Madonna was, en dat Madonna vergeleken bij Betty wordt teruggebracht tot het niveau Mary Osmond, of, dichterbij huis, Marianne Weber. Ik zou zelfs nog wat verder willen gaan door te zeggen dat Madonna welliswaar sex wereldwijd op de kaart heeft gezet, maar dat ze vooral sex acteert terwille van een vette portemonnee. Daar is bij Betty Davis totaal geen sprake van. Daar stroomt uit iedere muzikale porie de motorolie die de wereld al eeuwenlang doet draaien. Daar komt geen centimeter acteren bij kijken. Betty doet het gewoon.

zondag 22 juli 2007

Scott Walker - Scott 4

In iedere eeuw en in iedere kunstvorm komen geniale en invloedrijke kunstenaars voor. De meesten van hen worden tijdens hun leven herkend én erkend voor hun artistieke werk. Er zijn er echter ook, die tijdens hun leven niet de erkenning ten deel vallen die op grond van output en artistieke ontwikkeling verdiend zou zijn. Scott Engel, beter bekend als Scott Walker, is daar in mijn ogen een van de beste voorbeelden van. Zijn vroege werk met The Walker Brothers bracht hem al snel aan het hof van de vluchtige roem. De leegheid en de blinde adoratie die hem daar ten deel viel beviel hem echter zo slecht dat hij al snel naar middelen zocht om te ontsnappen aan de blauwdruk die er, ook in artistiek opzicht, voor hem klaar lag. Daar is hij, zo valt achteraf vast te stellen, ongelooflijk goed in geslaagd. Zijn zelfverkozen kluizenaarschap heeft hem opgeleverd wat hij zocht: persoonlijke én artistieke vrijheid, met maar één prijskaartje: op een handjevol 'ingewijden' na, kent niemand hem meer. Walker houdt zich dan ook nog maar mondjesmaat bezig met muziek. Zijn laatste 3 platen dateren respectievelijk uit 1983, 1995 en 2006. Niet direct wat je noemt een hoge productie. De laatste twee (Tilt en The Drift) hebben eigenlijk ook niets meer te maken met (pop) muziek zoals wij dat (menen te moeten) kennen. Alle denkbare grenzen worden er op deze platen opgezocht, en ik ken maar weinig mensen die op het eerste gehoor niet terugdeinzen van wat ze horen. Het is volstrekt originele kunst die volledig op zichzelf staat, maar die niet gemakkelijk te verteren is. Opera vermengt zich er op verontrustende wijze met een zwaar, geïndustrialiseerd geluid terwijl de aartsengel van het gezongen woord zich er doorheen beweegt alsof er geen regels gelden voor zijn vocale expressie. Het zijn door critici bejubelde albums, die amper verkopen. Het zijn albums waar, qua ondoorgrondelijkheid en uniciteit, Trout Mask Replica van Captain Beefheart als referentie kan dienen. Moeilijke kunst. Zoals ook Van Gogh en Picasso werden gelabeld toen zij actief waren.

Na zijn periode bij de Walker Brothers was Scott Walker behoorlijk actief en leverde hij tussen 1967 en 1969 4 platen op rij af (Scott 1 t/m 4). Platen waarop zijn krachtige, unieke stemgeluid centraal staat. Scott 4 (de andere 3 doen er niet echt voor onder) is in mijn ogen van deze 4 de beste. Het is de eerste waarop alle nummers van eigen hand zijn, waarop ook de eerste voortekenen van zijn latere werk te bespeuren zijn, maar waarin ook zijn vorige werk (solo en met de Walker Brothers) nog terug te horen valt. De plaat waarop alles samenvalt en die tevens de weg wijst naar de muzikale toekomst. De Jacques Brel covers zijn verdwenen, maar niet de invloed ervan. De instrumentatie is hier en daar spaarzaam dan weer weelderig, de arrangementen orchestraal en dramatisch maar vooral bol staand van ingehouden spanning. Scott is een gepassioneerd zanger, zo een die je zijn nummers intrekt en die je pas weer los laat als hij dat wil. Een goed voorbeeld hiervan is 'The Seventh Seal,' dat zich met zijn mariachi trompetten en dramatische vertelling voor je verbaasde oren als een middeleeuwse Ennio Morricone spaghetti western ontrolt. In 'The Old Man's Back Again' valt goed te horen hoe onder andere Bryan Ferry en David Bowie schatplichtig zijn aan zijn manier van zingen. Er vallen op de plaat vleugjes soul en gospel te horen, mini-opera's en weelderige chansonachtige pop. Scott 4 is simpelweg het werk van een artiest op de toppen van zijn kunnen.

Scott 4 ontving bij zijn verschijning in 1969 gemengde kritieken en verkocht erg slecht. Reden voor Walker om zich geruime tijd terug te trekken uit de popmuziek. Zijn eerste echte (solo) teken van leven zou Climate of Hunter worden in 1983, een ander meesterwerk wat eveneens bij verschijning niet begrepen werd. Scott Walker doet echter geen concessies aan zijn eigen muzikale visie en gaat door met maken met wat hij denkt dat er door hem gemaakt moet worden. Met de vluchtige wereld van de popmuziek heeft zijn werk allang niets meer te maken. Maar, zoals ik al zei, op Scott 4 vallen al zijn werelden samen. Het is een perfecte plaat om een van de allergrootse kunstenaars van onze tijd aan het werk te horen.

zondag 15 juli 2007

Loney Dear - Loney Noir

Ik zal het maar meteen toegeven: ik werd vanaf het eerste moment totaal en onvoorwaardelijk ingepakt door de prachtige liedjes van Emil Svanängen, een soort van Zweedse Spinvis die opereert onder de naam Loney, Dear. Blijkbaar raakt zijn muziek ergens een snaar die dwars door alle doorgewinterde muzikale jaren heen lag te wachten om beroerd te worden. Enige objectiviteit valt van mij dan ook in deze recensie niet te verwachten. Ik ben om. En dat gebeurt me hoogstens een aantal keren per jaar. Wat me trouwens opvalt is dat het niet de eerste keer is dit jaar dat de veroorzakers hiervan uit Scandinavië komen. Niet direct een gebied waar de meeste mensen goede popmuziek vandaan verwachten. Die schijnt nog altijd uit Engeland of Amerika te moeten komen. Maar er gebeuren spannende dingen in Scandinavië, en Loney, Dear is daarvan een meer dan aansprekend bewijs.

Die Spinvis vergelijking van daarnet maakte ik natuurlijk niet voor niets. Waar Eric de Jong in Nieuwengein in zijn keurige rijtjeshuis op zijn zolderkamertje zat te knutselen aan zijn eenmansband muziek, zo deed Emil dat in Zweden. Om precies te zijn in Jönköping, gelegen in het Zuid-Zweedse Småland, een gebied met een mooie natuur, veel bos en meertjes. Hier woont Emil nog steeds, samen met zijn familie, naar het schijnt in een mooi huis. Hij zat echter niet op zolder, maar hij zat in de kelder. Daar werkte hij net zo lang aan zijn muziek totdat hij het goed genoeg vond om op cd te branden en onder de naam Loney, Dear, via eigen beheer uit te brengen. Op deze wijze vonden zijn eerste plaatjes hun weg naar een zeer select publiek. Tot de onvermijdelijke man van het onvermijdelijke kleine platenlabel (Sub Pop) per toeval zo'n plaatje hoorde en Emil een contract aanbood. Met als gevolg dat deze zijn baantje kon opzeggen en nóg meer tijd in zijn kelder kon gaan doorbrengen. Dit resulteerde niet alleen al in de (in een echte studio afgemixte) platen Sologne en Loney, Noir, maar naar eigen zeggen komt er in 2008 een cd met de werktitel Dear John, die zijn allerbeste liedjes bevat. En ik geloof dat direct.

Wat de muziek van Loney, Dear nu zo bijzonder maakt is dat je er vooral erg blij van wordt. Zelf zingt hij in het eerste nummer: 'all I want is a state of hope'. Een betere omschrijving valt er eigenlijk niet te geven. Ieder nummer begint eenvoudig en rammelt zich op charmante wijze via belletjes, koortjes, allerlei instrumenten en tegenmelodietjes naar een hoogtepunt om daar als een muzikaal confetti-kanon te ontploffen. Daar bovenuit klinkt de kinderlijk hoge zang van Emil, die hier en daar zingt als Brian Wilson met een forse vleug helium achter de kiezen. Dit is aanstekelijk geluk, in 10 perfecte 3 minuten liedjes verpakt en met kinderlijke ernst voor het voetlicht gebracht. Want de liedjes gaan natuurlijk over het echte leven en wat dat zoal doet met een simpele ziel als Emil uit Jönköping.

Ik zei het al, ik ben om. Ik heb dit prachtige plaatje wekenlang gedraaid om steeds opnieuw weer zo blij te worden als een kind. Probeer het zelf ook eens. Het werkt verdomd aanstekelijk.

Copyright

Alle content © Moving Sounds - Savant 2007